Fotolexicon, 18e jaargang, nr. 34 (oktober 2001) (nl)Johan Degewij; Ingeborg Th. Leijerzapf: J.J.M. van Santen

To refer to this article use this url: http://journal.depthoffield.eu/vol18/nr34/f05nl/en

Beschouwing

Dr. J.J.M, van Santen, de naam die Koos in het maatschappelijk leven steevast gebruikte, was een formele, enigszins afstandelijke, dominante, maar ook zeer zorgzame persoonlijkheid. Volgens oud-leerlingen was hij levendig, erudiet en enthousiasmerend, maar ook streng. Hij was een uitzonderlijk goede didacticus met gevoel voor humor. Zo schijnbaar gemakkelijk als het voor Koos van Santen was om een lezer, een leerling of een groep te boeien en te onderrichten, zo moeilijk was het voor hem om begripvol met sommige van zijn eigen kinderen om te gaan. Hij had de neiging om te veel van hen te eisen, kon ongecontroleerd emotioneel en kwaad worden en leed daar zelf het meeste onder. Als pater familias van een groot en gastvrij gezin was hij de spil om wie alles draaide. Zijn gezin accepteerde dan ook dat hij voor zichzelf twee grote kamers in huis gebruikte voor werkruimte en doka, terwijl de kinderen kleine slaapkamers moesten delen.

Koos van Santen groeide op in een katholiek middenstandersmilieu en werd op vijftienjarige leeftijd geconfronteerd met het overlijden van zijn vader. Hij nam toen de verantwoordelijkheid op zich voor zijn moeder, zijn zus en zijn twee broers en dit heeft zijn gevoel van zorg voor zijn medemens sterk ontwikkeld. Woekerend met tijd en geld volbracht hij zijn academische studie wis- en natuurkunde, die hem een aantal treden hoger op de maatschappelijke ladder plaatste. Hij was trots op zijn doctorstitel en karakterologisch enigszins 'getekend' door de elitaire sfeer op het Leidse Kamerlingh Onnes laboratorium, in deze tijd een van de top wereldcentra in de natuurkunde. Hij miste echter de culturele breedte om met mensen in dit milieu gemakkelijk om te gaan. Van Santen promoveerde drie jaar na zijn doctoraalexamen, in 1934. Zijn proefschrift, Metingen van de tweede viriaalcoëfficient van helium bij 0°C, 20°C. en 100°C, maakt geen sterk innovatieve indruk. Hij lijkt de opdracht van zijn werkgever nauwgezet te hebben uitgevoerd. Enkele stellingen werden aan zijn passie voor fotografie besteed, waarbij hij stelde voorkeur te hebben voor de DIN-schaal voor het aangeven van de gevoeligheid van fotografische emulsies. Ook trok hij de redenering in twijfel dat het niet mogelijk zou zijn om fotografische emulsies gevoelig te maken voor golflengten boven 2 micron.

Tussen 1931 en 1937 publiceerde hij met vier co-auteurs tabellen van waterdampspanningen.

Van Santen had moeite met het inpassen van de wetten van de natuurkunde in zijn katholieke geloofsovertuiging. Hij twijfelde aan veel dogma's, waaronder die van de transsubstantiatie tijdens de consecratie in de rooms-katholieke eredienst, maar vroeg tijdens zijn promotiewerk toch toestemming aan zijn pastoor om een op de katholieke index geplaatst boek te mogen inzien.

Na zijn promotie in 1934 kon Van Santen, ondanks de crisisjaren, tijdelijke docentenbaantjes krijgen in Leiden. In 1936 werd hij leraar wis- en natuurkunde aan zijn vroegere school, het katholieke Aloysius College in Den Haag. Tijdens de Duitse bezetting was hij voor de veiligheid, om niet te worden opgepakt voor de Arbeidseinsatz, van het docentenbestand afgevoerd, maar hij kreeg wel zijn salaris thuis bezorgd.

Van Santen schiep in zijn natuurkundelokaal een eigen Kamerlingh Onnes laboratorium, waarin hij als hooggeleerde doctor, in een witte laboratoriumjas, voor zijn leerlingen optrad. Hij werd daarbij geassisteerd door instrumentmaker Rientjes. Zijn leerlingen hadden respect voor hem. Hij gaf beeldend les en liet met proeven de werking van natuurwetten zien. Ondanks zijn wetenschappelijke attitude legde hij veel nadruk op het mysterieuze in de natuur.

Van Santens didactische kwaliteiten waren niet alleen in Den Haag bekend. Hij werd in 1947 gevraagd docent didactiek der Natuurkunde aan de universiteit te Leiden te worden, maar deze baan nam hij niet aan. In 1950 werd hij in de laatste fase van een sollicitatieprocedure voor lector medische fotografie aan de universiteit van Nijmegen afgewezen, waarschijnlijk omdat hij teveel woonruimte vroeg in een plaats die zo zwaar had geleden onder de oorlog dat er weinig schadevrije huizen waren.

Van Santen was in de jaren vijftig als bestuurslid betrokken bij de "De Nederlandsche Fotovakschool", in 1948 of 1949 opgericht door Carel Tirion en anderen. Van Santen stelde ook lesmateriaal samen voor deze opleiding en hij nam examens af.

Eind jaren zestig werd hij steeds trager en verwarder. Soms was hij tijdens natuurkundeproeven niet in staat zijn presentatie te voltooien. Dit leek een oud leerling, nu patholoog-anatoom, een voorbode van een hersentumor. De laatste jaren voor zijn pensionering in 1970 was hij niet meer in staat zijn leraarschap fulltime uit te oefenen.

Tijdens zijn academische studie in de jaren dertig begon Van Santen te fotograferen. Zijn archief bestaat grotendeels uit zwart-wit negatief kleinbeeldstroken, voornamelijk Leica-opnamen, uit kleurendia's en slechts een vijftigtal vergrotingen. Zijn onderwerpen waren het gezin, de klas waaraan hij les gaf en vakantiereizen. Fotograferen werd een belangrijke ontspanningstherapie voor Van Santen die vanaf de jaren veertig ging lijden aan zware hoofdpijnen.

Als fotograaf had hij grote belangstelling voor de techniek, de apparatuur en de werkzaamheden in de donkere kamer. Regelmatig deed hij testen met betrekking tot lensscherpte, dieptescherpte, filmgevoeligheid, de elektronenflitser, ultravioletfotografie en infraroodfotografie. Zijn technische aanleg en interesse had hij reeds in zijn studietijd als assistent in het Kamerlingh Onnes laboratorium ontwikkeld, waar hij een goed contact had met de Leidse instrumentmakersschool in hetzelfde gebouw. In de bezettingsjaren kreeg hij de tijd om zijn ideeën omtrent de verbetering van zijn apparatuur te realiseren, zodat het werken daarmee gemakkelijker werd.

De beeldende kwaliteiten van Van Santens relatief kleine oeuvre liggen in de eerste plaats in de betrokkenheid tot zijn onderwerp. Deze komt vooral tot uiting in de geringe fysieke afstand tussen fotograaf en object. De beschouwer voelt zich daardoor als het ware getuige van de gebeurtenis zelf. Daarnaast had Van Santen gevoel voor balans en zag hij het belang van een goed gekozen kader.

Een van zijn eerste vindingen, in het begin van de jaren veertig, was de 'omnigraaf', een cassetteschuif voor reproductiefotografie. Om zo zuinig mogelijk met kleinbeeldfilm om te gaan in de periode van schaarste door de Duitse bezetting, ontwierp Van Santen een lichtdichte langwerpige cassetteschuif, waarin een korte strook onbelichte kleinbeeldfilm, een matglas en een 24x36 mm insteldia met lijnpatronen werd gelegd. Hij plaatste deze 'omnigraaf' in een vergrotingskoker met de insteldia onder de lamp van de vergroter, zodat het lijnenpatroon op het te reproduceren onderwerp werd geprojecteerd. Via de insteldia werden de juiste vergrotingsmaatstaf en scherpte ingesteld. Vervolgens werd de lamp van de vergroter uitgeschakeld; de insteldia in de omnigraaf werd doorgeschoven en de onbelichte strook kleinbeeldfilm kwam op de plek van de dia te liggen. Nadat de reproductieverlichting was ingeschakeld, werd met de sluiter van de vergrotingslens de opname gemaakt. Het matglas werd gebruikt indien de omnigraaf in het focus van een camera werd geplaatst; daarvoor gebruikte Van Santen onder meer een oude platencamera. Voor deze vinding vroeg Van Santen op 3 september 1943 octrooi aan onder nummer 112970.

Waarschijnlijk gedwongen door geldgebrek verkocht hij in de hongerwinter op voorhand het patent aan de firma Amalux N.V. Dit blijkt uit een overeenkomst van 25 februari 1945 tussen Amalux N.V. (i.o.), vertegenwoordigd door J.L. Talens, en Van Santen: "Indien het fotografische cassette octrooi, aangevraagd onder nummer 112970, verleend is, gaat dit octrooi op Amalux over. Van Santen krijgt dan ƒ5000,- + 10% van bruto opbrengst in de toekomst". Het Nederlands octrooi 57939 werd op 16 februari 1946 verleend onder de titel: "Cassette voor een strook film, in het bijzonder zoogenaamde kleinbeeldfilm". In de nalatenschap van Van Santen bevindt zich een set technische tekeningen gemaakt door N.V. Siemens, Rijnstraat, onder leiding van ir. Vos.

In januari 1945 vroeg Van Santen een octrooi aan onder nummer 119923 met de naam "Filterparaatheid". De aanvraag betrof een lenskap met sleuf waarin radiaalsgewijs filters konden worden geschoven. De niet gebruikte filters werden in een ruimte achter in de bij de camera behorende cameratas geschoven. Op 16 juli 1946 reageerde de octrooiraad met de mededeling dat een Amerikaans octrooi 2.241.596 van Victor Guhl uit 1940 zijn vinding voor was. De volgende dag trok Van Santen zijn octrooiaanvraag in.

In december 1945 vroeg hij een octrooi aan onder nummer 122887 voor een "toestel voor fluorescentie analyse", een draagbare kofferconstructie met ultraviolette lamp en filter, waarin voorwerpen bij ultraviolet licht geanalyseerd konden worden. Constructeur Van Eyck, assisteerde bij het ontwerp. Volgens een advertentie in Van Santens boek over ultravioletfotografie (1946) werd de vinding Janelta Analyse apparaat genoemd. Van Santen vroeg het octrooi aan op naam van J.L.Talens van de firma Amalux. In juni 1946 antwoordde het octrooibureau aan Talens, dat de constructie niet als uitvinding kon worden aangemerkt.

Op 3 juni 1948 diende Van Santen een octrooi aanvraag in voor een "Inrichting voor het aflezen van de scherptediepte van fotografische objectieven bij verschillende opneemafstanden, brandpuntafstanden en diafragmaopeningen". Over het verdere verloop van deze octrooiprocedure is geen correspondentie gevonden.

Al voor de oorlog hield Van Santen zich bezig met het schrijven van een gewaardeerde serie artikelen in Focus. Het eerste artikel, een verslag van een congres voor technische fotografie in Gent, verscheen in Focus in 1932 en behandelde onder andere röntgenfotografie, infraroodfotografie, de theorie van het latente beeld en direct kleurende ontwikkelaars. Vanaf 1935 tot 1972 schreef hij in totaal 99 artikelen voor dit blad, gemiddeld drie per jaar. Hij publiceerde ook in het tijdschrift Foto. In zijn artikelen toonde hij aan zich goed te kunnen verplaatsen in het denken van de opticus, technicus en chemicus. Hij legde veel nadruk op de popularisatie van nieuwe vindingen en het aanbieden van ideeën en suggesties om de amateur het leven te vergemakkelijken.

In de oorlog kreeg Van Santen de tijd om boeken te schrijven en zo zijn kennis meer te bundelen. Met Focus -uitgever Dick Boer had hij een goede verstandhouding. In 1953 is de band nog formeel maar in 1958 wordt er geDickt en geKoost. Het eerste boek Ultravioletlampen als analytisch en fotografisch hulpmiddel verscheen in 1946 bij Amalux in Den Haag. In de inleiding staat dat het initiatief voor dit boek kwam van de firma J.L. & L.J.Talens te 's-Gravenhage.

Op 15 maart 1945 kwam Van Santen overeen met J.L. Talens van de firma Amalux om voor 1 september 1945 een Engels-Nederlandse, Frans-Nederlandse en Duits-Nederlandse woordenlijst samen te stellen op fotografisch en cinematografisch gebied. Ook werd Van Santen de redacteur voor het Amalux-jaarboek waarin deze woordenlijst werd opgenomen. Deze Amalux fototolk. Viertalig verklarend woordenboek voor fotografie en cinematografie werd in 1947 uitgegeven bij Focus in Bloemendaal. Eveneens in 1947 werd zijn fotografische handboek Beginselen van de fotografische techniek gepubliceerd. In het voorwoord schreef hij dat hij dit als amateur voor medeamateurs had geschreven, in de hoop bij te dragen tot de ruimere beoefening van de fotografie. Vanaf de derde herziene en uitgebreide druk verscheen het handboek in twee delen. Deel I heeft als ondertitel: Cameratechniek. Deel II is verdeeld in: A. De afwerking, B. Enkele speciale gebieden. Van deze boeken verschenen vele herdrukken. In recensies in technische en wetenschappelijke tijdschriften werden Van Santens boeken positief ontvangen. De verkoopcijfers waren voor die tijd indrukwekkend: van de tweede druk van Beginselen van de fotografische techniek werden in 1948 bijna 1300 exemplaren verkocht en in de twee jaar erna gemiddeld nog 300 exemplaren per jaar.

In 1937 was Koos van Santen lid geworden van de Haagsche Amateur Fotografen Vereniging (HAFV). Documenten van de HAFV tot 1957 worden bewaard in het Haags Gemeentearchief (map 627). Uit notulen van vergaderingen blijkt dat Van Santen op 14 oktober 1945 voor het eerst als vice-voorzitter/bibliothecaris optrad naast voorzitter Auguste Grégoire en secretaris Hein J. Herbig. In 1947 meende Van Santen dat het goed zou zijn voor de HAFV om lid te worden van de Bond van Nederlandse Amateur Fotografen Verenigingen, maar voorzitter Grégoire zag daarin geen voordeel. Op 8 februari 1948 nam Van Santen het voorzitterschap van Grégoire over, bekrachtigd op de jaarvergadering van 1 maart 1948.

Als verenigingsvoorzitter was Van Santen zeer actief: hij hield lezingen en organiseerde fotowedstrijden (acht per jaar!). Een hoogtepunt vormde de organisatie van het vijftigjarig jubileum van de HAFV in 1957, met een tentoonstelling in Paleis Noordeinde. Prins Bernhard nam zitting in het erecomité.

Binnen de vereniging wist Van Santen met gezag, tact en beminnelijkheid menige crisis te beslechten. De spanningen werden deels veroorzaakt door verschillen in opvatting over fotografie. Er waren leden die een conservatieve fotografiestijl aanhingen met de nadruk op compositie en leden die gecharmeerd raakten van de opkomende vrijere fotografiestijl. Een van die leden van de 'oude stempel' was J.G. Beernink, die in de oorlogsjaren een boek over fotocompositie had geschreven en in de jaren vijftig lid was van de jurycommissie van de HAFV. Beernink wilde zijn rigide compositieregels handhaven, maar toen hij teveel tegenstand kreeg, trad hij in 1954 vrijwillig uit de jury. Hij bleef echter 'zeuren' over zijn regels, over de manier van jureren en over terugloop van het ledental ten gevolge daarvan. Dit escaleerde in 1961. Van Santen had er - eindelijk - genoeg van en wees Beernink op zijn ongelijk en zijn negatieve houding, waarna de opstandige zijn lidmaatschap opzegde.

Zijn hoofdpijnen, het leraarschap en de vereniging vielen Van Santen in het begin van de jaren zestig steeds zwaarder. Nieuwe statuten, waarbij de tijdsduur van bestuursfuncties werd geregeld, gaven Van Santen de mogelijkheid om in 1964 'regulier' af te treden. Bij zijn aftreden werd hem het erelidmaatschap aangeboden. Grégoire was erevoorzitter en toen deze overleed werd Van Santen erevoorzitter.

In juni 1958 nam Van Santen vanuit de HAFV een belangrijk initiatief: hij organiseerde een jeugdfotowedstrijd voor de regionale middelbare scholen om hiermee de fotografie bij de jeugd onder de aandacht te brengen. Er was een categorie A voor inzendingen die geheel zelfwaren ontwikkeld en afgedrukt en een categorie B voor inzendingen die niet zelfwaren afgewerkt. Twintig scholen reageerden positief. De Stichting ter bevordering van de amateur-fotografie gaf steun door de toezegging van het schenken van een legpenning in brons. Er waren 190 inzendingen en de prijsuitreiking vond in maart 1959 plaats in de aula van het Haags Gemeentemuseum. Er kwamen publicaties in de lokale pers. In 1960 steeg het aantal inzendingen tot 256. In 1962 werden fotohandelaren en dagbladen ingeschakeld om een geschenk te leveren. In 1963 deden zevenentwintig VHMO-scholen in Den Haag en omgeving mee; zij zonden 625 foto's in. Van zeventien fotohandelaren werden geschenken ontvangen en er werden zesenzeventig prijzen uitgereikt. Bij de prijsuitreiking merkte mr. J.G.M. Broekman, directeur-generaal bij het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, op dat er een mogelijkheid bestond fotografie als een van de vakken in het schoolprogramma op te nemen. Deze interessante uitspraak heeft blijkbaar geen nadere uitwerking gekregen.

In 1964 werd de zesde wedstrijd gehouden, maar deze keer was het enthousiasme van de scholen om onduidelijke redenen minder groot. Van de achtentwintig aangeschreven scholen deden er in eerste instantie maar acht mee. Na het inschakelen van leraren als contactpersoon kwamen toch nog vierhonderd foto's binnen. Daarna verwaterde het initiatief.

Het gezin Van Santen moest eind 1943 evacueren in verband met de aanleg van tankgrachten door de Duitsers. Van Santen zou in Duitsland moeten gaan werken maar hij had in zijn paspoort zijn geboortejaar veranderd. Het paspoort is nog bewaard en toont in het geboortejaar een wijziging die, wanneer men goed kijkt, niet onopgemerkt blijft. Tijdens de bezettingsjaren heeft Van Santen nauwelijks gefotografeerd. Hij bewaarde vijf AGFA Isopan ISS kleinbeeldfilms, speciaal om de bevrijding te kunnen vastleggen. Hij was dan ook een van de eersten die de binnenkomst van de geallieerden in Den Haag fotografeerde, waarbij een Canadese militair hem aanhield en kritische vragen stelde over het in bezit hebben van een Duitse Leica camera. Ook het wegtrekken van de Duitsers en het wegleiden van NSB-ers naar interneringskampen heeft hij vastgelegd in een indringende reportage.

Van Santen had een dagvergunning om op 24 mei 1945 in het afgesloten vestinggebied, waar nog geen burgers mochten komen, de huizen in de Van Foreeststraat te fotograferen. Tussen 10 juli en 30 september 1945 kreeg hij ook vergunning om de vesting Scheveningen en Clingendaal te betreden.

Het Aloysius college was in de oorlog bezet door de Duitsers. De leerlingen kwamen na de bevrijding weer terug en Van Santen maakte foto's van hun terugkeer. Hij heeft daarover ook een film gemaakt, genaamd Herom 't Paradijs; terugkeer van 700 naar een eigen veste.

Van Santen heeft als docent en verenigingsvoorzitter jong en oud op het pad van de fotografie gebracht. Zijn boeken, artikelen en lezingen hebben velen na de oorlog en tot in de jaren zeventig enthousiast gemaakt en steun gegeven. Met bijzondere didactische gaven bereikte hij hiermee een brede doelgroep, van beginnend amateur tot professionele fotograaf. Hij deed enkele uitvindingen om het fotograferen en afdrukken te vergemakkelijken. Zijn reportages tijdens de bevrijding in mei 1945 in Den Haag vormen een interessante en aanvullende bijdrage aan de fotohistorische geschiedschrijving van de bezetting en bevrijding van ons land