Fotolexicon, 2e jaargang, nr. 3 (september 1985) (nl)Hedi Hegeman: Jan Goedeljee & Zn

To refer to this article use this url: http://journal.depthoffield.eu/vol02/nr03/f02nl/en

Beschouwing

Op ongeveer veertigjarige leeftijd nam Jan Goedeljee, boekbinder in Leiden, de historische beslissing om fotograaf te worden. Dit besluit zou er toe bijdragen dat het negentiende-eeuwse Leiden één van de fotografisch best gedocumenteerde steden in Nederland werd. Jan Goedeljee was een pionier op het terrein van de fotografie. Hoe of van wie hij leerde fotograferen is in dit onderzoek niet aan het licht gekomen. Hij noemde zich in ieder geval vanaf 1865 fotograaf en in een in 1866 uitgegeven album met foto's van de Leidse Hortus Botanicus blijkt hij al een voortreffelijk vakman te zijn.

Hij moet een zeer energieke man geweest zijn die zijn werk als fotograaf en boekbinder ook nog wist te combineren met het vak van begrafenisondernemer en met een druk verenigingsleven. Hij was namelijk voorzitter van de Vereeniging 'Nut en Genoegen' en penningmeester van de 3 October Vereeniging.

Zijn zoon Johannes was tekenmeester, voordat hij de compagnon van zijn vader werd. Over zijn opleiding tot fotograaf is evenmin iets bekend, maar het is aannemelijk dat hij het vak van zijn vader leerde. De taakverdeling tussen vader en zoon binnen het compagnonschap is niet te reconstrueren.

De Goedeljees verdienden hun inkomen als fotograaf voor een groot deel met portretfotografie. Goedeljee noemde zich Hoffotograaf van ZKH prins Alexander der Nederlanden en prinses (!) Hendrik. Deze titel gaf een zekere status aan het atelier en trok ook klanten. Goedeljee's klanten kwamen dikwijls uit de kringen van hoogleraren en studenten, maar de Leidse burgerij kon eveneens bij hem terecht voor een 'chique' portret in groot formaat of een eenvoudig visitekaart- of kabinetportretje.

Met zijn hooglerarenportretten trad Goedeljee in de voetsporen van de daguerreotypist Leendert Springer die dit genre fotoportretten in Leiden invoerde. Collega-fotograaf Bernard Bruining was in de jaren zestig en zeventig de enige die op dit terrein in kwaliteit met Goedeljee vergeleken kon worden.

Ook met een ander traditioneel Leids portretgenre, het maskeradeportret, hield Goedeljee zich bezig. In Leiden werden vijfjaarlijkse historische optochten gehouden rond een bepaald thema uit de vaderlandse geschiedenis. Studenten lieten zich dan in historische kostuums portretteren, meestal op visitekaartportretjes of kabinetfoto's. De optochten en bijkomende festiviteiten als kermissen werden eveneens op de fotografische plaat geregistreerd, soms in samenwerking met Hendrik Jonker, een collega die zijn atelier aan de Apothekersdijk had.

Goedeljee was zonder twijfel zeer verknocht aan zijn stad. Met minutieuze precisie bouwde hij een topografisch bestand op, waarin ieder belangrijk gebouw en monument, de voornaamste straten, pleinen, parken en bezienswaardigheden en ieder pittoresk hoekje werd opgenomen. Behalve de Leidse binnenstad fotografeerde Goedeljee ook in de omgeving van Leiden, tot in Katwijk toe. Van al die topografische foto's stelde Goedeljee omstreeks 1884 een Catalogus van Land-, stad- en zeegezichten samen. Deze catalogus was in boekhandels te raadplegen en de verkoop van de foto's verliep eveneens via de boekhandel of rechtstreeks via de fotograaf. Op dezelfde wijze liet Pieter Oosterhuis uit Amsterdam zijn werk verspreiden.

Evenals deze Pieter Oosterhuis en de Amsterdamse fotograaf Jacob Olie registreerde Goedeljee zijn stad voornamelijk objectgericht, zonder specifieke aandacht voor de levenswijzen van de bevolking. Dit vindt zijn oorzaak enerzijds in de traditionele topografische beeldweergave van architectuur en stadsgezichten, zoals men die in de prentkunst gewend was, anderzijds in de economisch aantrekkelijke rol van de fotograaf als dienstverlener in de toenemende toeristische industrie. De behoefte aan fotografische afbeeldingen als herinnering aan plaatsen die men bezocht had, groeide. Van een meer sociale aandacht is in die periode in de fotografie nog weinig sprake, mede doordat fotografie nog geen rol speelde in de geïllustreerde pers.

Al voordat Katwijk in 1881 bereikbaar werd door een stoomtram en vanwege haar schilderachtigheid massaal door schrijvers en schilders werd bezocht, maakte Goedeljee foto's van dit dorp - een badplaats moest het nog worden - : gezichten op de kerk, het strandleven en vissersschuiten 'op de ree' of op zee. Deze sfeervolle foto's doen in onderwerp en techniek (sombere, monochrome halftinten) denken aan de schilderkunst van de Haagse school. Misschien hebben Goedeljee's foto's niet minder bijgedragen aan de 'ontsluiting' van Katwijk voor kunstenaars dan de komst van het openbaar vervoer.

De oudste opnamen van Jan Goedeljee werden nog volgens het 'natte collodionprocédé gemaakt op glasplaten van 20 bij 26 cm. De komst van de 'droge plaat' gaf hem meer bewegingsvrijheid en voerde hem vanaf dat moment verder van huis. In de jaren zestig tot negentig drukte de firma de foto's vrijwel altijd af op collodion- en albuminepapier; aan het eind van de eeuw kwam daarvoor in de plaats celloïdinepapier. Portretfoto's van bekende persoonlijkheden liet de firma Goedeljee ook als lichtdrukken verschijnen. Inkleuren van maskeradeportretten of groepsfoto's van studenten behoorde in het atelier eveneens tot de mogelijkheden; de Goedeljees waren hierin echter veel minder bedreven dan hun Leidse collega A. van der Stok.

De aankleding van het atelier van de firma werd tegen het eind van de eeuw steeds rijker en de variatie in beschilderde achtergronden steeds groter. Hoever Goedeljee ging in het opstellen van kunstmatige entourages tonen enkele groepsportretjes van een Afrikaanse familie. Deze foto's laten bovendien zien hoe stereotiep men dacht over niet-blanke rassen. Vanwege hun vermeende etnografische betekenis had het Leidse Rijks-Etnografisch Museum deze foto's in zijn bezit.

Jan Goedeljee gaf vooral als fotograaf van het 'stedelijk landschap' blijk van een goed oog voor compositie, lichtval en fotogenieke onderwerpen. Het camerastandpunt ter hoogte van de eerste verdieping van huizen of gebouwen, komt opvallend vaak voor bij opnamen in de Leidse binnenstad. Daarmee bereikte de fotograaf een overzichtelijke aanblik en vermeed tegelijkertijd een te storende perspectivische vertekening.

Een 'In Memoriam' in 1906 beschreef en prees Jan Goedeljee vooral als een verdienstelijk directeur van de Leidse Begrafenisvereniging en als een actief deelnemer in het verenigingsleven. In deze vooral op zijn sociale activiteiten gerichte waardering is Goedeljee's betekenis als fotograaf geheel buiten beschouwing gebleven. Voor het nageslacht was dit juist zijn belangrijkste prestatie. Hij heeft zijn regio met vakmanschap en liefdevolle aandacht vastgelegd en daarmee een waardevolle bijdrage geleverd aan de historische documentatie van dit gebied.

Na de dood van zijn vader zette Johannes in eerste instantie de zaak voort. In 1912 werkte hij als fotograaf aan de Universiteitsbibliotheek van Leiden waar hij facsimile’s van oude handschriften vervaardigde. De precisie van deze fotografie getuigt van de vooruitgang van de technische mogelijkheden van het medium en Johannes' vakmanschap, maar dit werk geeft door zijn onpersoonlijkheid geen inzicht in de persoon en de fotografische visie van Johannes Goedeljee.