Fotolexicon, 4e jaargang, nr. 6 (maart 1987) (nl)Ingeborg Th. Leijerzapf: Johannes Egenberger

To refer to this article use this url: http://journal.depthoffield.eu/vol04/nr06/f02nl/en

Beschouwing

Johannes Egenberger werd in het jaar van zijn overlijden door zijn stadgenoot Mr. J.A. Feith „uiterlijk en innerlijk een gentleman" genoemd. Feith roemde niet zozeer zijn prestaties op schilderkunstig gebied als wel zijn verdiensten voor de stad Groningen: hij vernieuwde en stimuleerde het kunstonderwijs in Groningen, zowel door zijn bezielende leiding van de kunstacademie als door zijn inzet voor het kunstlievend genootschap Pictura. Bij het organiseren van historische optochten, het maken van tentoonstellingen of het beoordelen van bepaalde verfraaiingen in de stad, werd Egenberger altijd betrokken. Bij al zijn lofuitingen over Egenberger verzuimde Feith echter zijn fotografie te noemen.

Johannes Egenberger is een van de vele kunstschilders die zich halverwege de negentiende eeuw tot de fotografie 'bekeerden'. Redenen voor deze ommezwaai zijn niet bekend, evenmin als voor zijn terugkeer naar de Academie en de schilderkunst. Zeker is dat de historieschilderkunst - naast de portretkunst Egenbergers voornaamste specialiteit - zich niet langer in grote populariteit mocht verheugen. De moeilijke economische situatie voor portretkunstenaars in die periode door de zware concurrentie die zij van de fotografie te verduren hadden, kan Egenbergers keus bepaald hebben. Zijn salaris van de Academie was bovendien slechts een karig inkomen. Behalve deze motieven van economische aard is het eveneens denkbaar dat de aantrekkingskracht van het moderne, maar ook geheimzinnige medium fotografie een doorslaggevende reden voor zijn verandering van werkkring is geweest.

Egenberger begon zijn opleiding in de schilder- en tekenkunst bij een miniatuurschilder, juist in de jaren dat de uitvinding van de fotografie openbaar gemaakt werd. De komst van de fotografie zal hem zeker niet ontgaan zijn, temeer daar deze vooral enige beroering teweeg bracht onder de voor het grote publiek werkende portretschilders, waartoe de miniatuurschilders behoorden. Egenberger koos in het vervolg van zijn opleiding echter een geheel andere richting in de schilderkunst onder de inspirerende leiding van J.W. Pieneman: de historieschilderkunst. Met verve sloeg hij deze richting in en niets wees er op dat hij zich ooit tot de fotografie zou wenden.

Ondanks zijn aanvankelijke schilderkunstige successen, vooral in de samenwerking met Barend Wijnveld, heeft Egenberger zich toch niet uitdrukkelijk als kunstschilder gemanifesteerd. Hij raakte door zijn pedagogische talenten steeds meer betrokken bij het onderwijs. Op dat gebied verwierf hij zich blijkbaar een zo goede naam, dat het bestuur van de Groningse Academie Minerva hem uitnodigde de leiding van deze Academie op zich te nemen.

Egenbergers aanvraag voor een bouwvergunning voor een fotografisch atelier in december 1863 verried voor het eerst zijn affiniteit met fotografie. Reeds een maand later opende hij zijn atelier. „Een vrij gelegen, ruim, smaakvol ingerigt atelier, waarin 't volle licht, kunstzin en bekwame handen zamenwerken om iets goeds, iets schoons te leveren", luidde het commentaar in de Groninger Courant van 17 januari 1864. In dezelfde krant werd een maand later lof geuit over Egenbergers kwaliteiten als fotograaf; met name de compositie, tonaliteit, poses, uitdrukking en de enscenering werden als sterke punten genoemd.

Op 11 januari 1865 adverteerde Egenberger in de Groninger Courant dat men bij hem alle soorten fotografie kon bestellen, ook „microscopische portretten, gekleurde aquarelle photographiën". De visitekaartportretjes die hij in grote aantallen vervaardigde, waaronder de hooglerarenportretten voor het album Professores academiae Groningae - alle in albuminedruk - zijn echter de enige getuigen van zijn kunnen. Zoals de meeste portretfotografen van zijn tijd, maakte hij portretten ten voeten uit met geschilderde achtergronden en ateliermeubilair. Hij werkte echter ook regelmatig met de techniek van vignetteren: op de camera plaatste hij op enige afstand van de lens een vignet, waardoorheen hij het zittende model fotografeerde. Het vignet was een meestal vierkant stuk karton of metaal met een gat erin; de randen van het gat waren rafelig of gekarteld. Het resultaat van het fotograferen door een vignet was een portretbuste met een vervagende omgeving overgaand in een neutrale achtergrond. De in Londen woonachtige Amerikaanse daguerreotypist John Mayall introduceerde het gevignetteerde portret op de Great Exhibition in het Londense Christal Palace in 1851.

Egenbergers hooglerarenportretten zijn net als zijn visitekaartportretjes vormgegeven, zowel gevignetteerd als ten voeten uit. Zijn portretten zijn steeds vakkundig en overzichtelijk gecomponeerd, goed uitgelicht en scherp weergegeven, maar vertonen weinig variatie en durf in de poses.

Johannes Egenberger was als kunstenaar, als directeur en hoofdonderwijzer van de Academie en als fotograaf het prototype van de plaatselijke autoriteit, die in het kunstleven van zijn stad veel invloed had. Men kan hem vergelijken met Jacob Olie in Amsterdam: een actieve, maar bescheiden persoon, geen topkunstenaar, maar zeer gerespecteerd om zijn smaak en ambachtelijke kwaliteiten. Als portrettist was hij de Groningse equivalent van de beste portretfotografen in zijn tijd en in het bijzonder van de portrettisten die in andere steden hooglerarenportretten maakten, zoals Johan H. Hoffmeister, Bernard Bruining en Jan Goedeljee in Leiden en Henri Pronk in Utrecht. Het mag geen toeval heten dat de betere fotografen in deze eerste decennia van de fotografiegeschiedenis evenals Egenberger van huis uit kunstenaars waren die een goede ambachtelijke opleiding hadden genoten. Met elkaar waren zij verantwoordelijk voor het zeer respectabele peil van de portretfotografie in ons land in deze periode.